Korenmolen de Eendracht


ALGEMENE TECHNISCHE INFORMATIE OVER GRAANMOLENS

Malen door de eeuwen heen


Het malen van graan met maalstenen voor het verkrijgen van meel om brood te kunnen bakken werd vanaf de Romeinse Tijd gedaan met kleine handmolentjes. Rond 1200 kwamen er korenmolens in gebruik die door stromend water werden aangedreven. Omdat de bouw van zo'n molen een kostbare zaak was, waren deze molens veelal eigendom van de plaatselijke adel. Als feodaal recht kregen zij van de landsheer het recht om bij het malen van het graan op hun molen belasting te mogen heffen; de zogenaamde "belasting op het gemaal". Om te voorkomen dat streekgenoten uitweken naar andere molens, werd hen "molendwang" opgelegd. Men was verplicht zijn graan op de molen van de gezaghebber te laten malen; de molen noemde men dan een ban- of dwangmolen.

Het maalwerk zelf werd verricht door aparte molenaars, die de molen voor een pachtsom van de eigenaar huurden. De molenaars waren gerechtigd om naast de verschuldigde belasting voor de eigenaar een vastgesteld deel van het meel voor zichzelf te houden, het "scheprecht". Daar had zo'n molenaar een speciale schep voor. Omdat het ook wel voorkwam dat de molenaar te veel schepte (niet alleen met de schep maar ook "met de mouw", dus zo diep in de zak dat er ook meel in zijn mouw verdween), stond het beroep niet zelden bij de bevolking in een kwade reuk.
Om zo'n watermolen te kunnen verzekeren van voldoende stromend water, ontstond er een ingewikkeld stelsel van stuwrechten, welke in sommige gevallen nog steeds bestaan.
Rond 1300 was de windkorenmolen zodanig technisch ontwikkeld, dat er in West-Europa houten standerdmolens voor het malen van graan werden gebouwd. Vlakke streken, waar het bouwen van watermolens niet goed mogelijk was, hadden nu ook de mogelijkheid om met windkracht graan te kunnen malen. Net als bij de watermolens, waren deze molens ook het bezit van de landsadel. Tot de tijd van Napoleon bleven de rechten van de lokale adel om molens te mogen exploiteren, samen met vele andere feodale rechten, bestaan.


Impressie van de verdwenen standerd windkorenmolen De Rot
te Rottevalle (Friesland)

In de steden werden molens opgericht op de verdedigingswallen rond de versterkte steden, waardoor voor de molens de windvang in stand bleef en het stadsbestuur een eigen bron van inkomsten (belasting) had. In de 15e eeuw werden de eerste stenen torenmolens gebouwd. Het aantal is beperkt gebleven, omdat bouwen in steen veel duurder was dan in hout.
Molens op het platteland hadden doorgaans tot rond 1930 twee "productielijnen", een "bakkersgemaal" voor de broodvoorziening en een "boerengemaal" voor veevoer. Als maalstenen werden stenen gebruikt die afkomstig waren uit steengroeven in de Vulkaaneifel. De stenen kwamen met de Rijnvaart naar Nederland. Deze stenen van basaltlava worden doorgaans "blauwe stenen" genoemd. Vanaf 1900 werd ook gebruik gemaakt van gegoten (betonnen) stenen, "kunststenen" genaamd.
    


Hoe werkt een korenmolen nu precies?


Het bewegende mechaniek van een molen noemen we het "gaande werk". Voor een korenmolen van het bovenkruiertype (zoals De Eendracht) zijn de belangrijkste onderdelen van het gaande werk in de onderstaande tekening in beeld gebracht:





  1. De askop, waarin de molenwieken (de roeden) gestoken zijn
  2. Het bovenwiel, met daaromheen de houten vangblokken (de remblokken).
  3. De bonkelaar, die samen met het bovenwiel een (bijna) haakse overbrenging vormt.
  4. De koningsspil, die de draaibeweging naar beneden brengt.
  5. Het luiwerk, waarmee op windkracht zakken graan naar boven kunnen worden gehesen.
  6. Het spoorwiel.
  7. Het steenwiel, dat, aangedreven door het spoorwiel, de steenspil (h) aandrijft
  8. De steenspil, waarmee de bovenste maalsteen (de loper) wordt aangedreven.
  9. Het koppel maalstenen, met daaromheen een houten kuip.



Een gedeelte van het gaande werk bij De Eendracht