Korenmolen de Eendracht


DE GESCHIEDENIS VAN KORENMOLEN DE EENDRACHT

 

Pelmolen De Twee Gebroeders in Oostzaandam

1752–1898


De molen die wij kennen als korenmolen De Eendracht in Alphen aan den Rijn begon zijn leven als pelmolen De Twee Gebroeders. En die molen stond niet in Alphen, maar bij Zaandam, aan de oostzijde van de Zaan. Zaandam was toen nog verdeeld in twee ambachten, en de molen stond dus in Oostzaandam. In 1752 werd de molen gebouwd aan het noordeinde van de waterloop de Gouw, aan de westkant ervan, vlakbij de (overigens veel later gebouwde) katholieke kerk op Het Kalf (een buurt in Oostzaandam).



We kunnen echter nog verder terug in de geschiedenis gaan. Naar 1697 bijvoorbeeld. Op 14 december van dat jaar ontvangt een zekere Albert Simonsz. de windbrief (een officiële exploitatievergunning) voor pelmolen De Reiger, ook wel De Quak genoemd, die gebouwd was op deze zelfde plaats. Het is deze molen die in 1739 wordt verhuurd aan Jan Adriaansz. Duijn & Compagnon, een firma geleid door de naamgever ervan en zijn broer Claas. Drie jaar later kopen zij de molen. Maar op 9 september 1751 slaat het noodlot toe: De Reiger raakt in brand en wordt volledig in de as gelegd. De broertjes Duijn zitten niet bij de pakken neer, en het volgende jaar verrijst er op hetzelfde molenerf een gloednieuwe pelmolen: De Twee Gebroeders. Aan weerszijden van de molen waren twee houten schuren gebouwd; het forse achtkant stak boven de nokken van de schuren uit. De vlucht (dat is de lengte van de roeden, dus tweemaal de wieklengte) bedroeg 24 meter, en de inrichting was ook opmerkelijk: maar liefst drie pelstenen lagen er in de molen. De meeste Zaanse pelmolens hadden er maar twee.


Op 27 juni 1752 verkrijgt Claas Adriaansz. Duijn de windbrief voor De Twee Gebroeders. Het is overigens opmerkelijk dat de vroegere naam De Reiger (of De Quak) in de volksmond in onbruik raakt voor deze molen; het is zo het gebruik in de Zaanstreek dat een molennaam gewoon overgaat op de opvolger van die molen.



De naam van de nieuw gebouwde molen De Twee Gebroeders verwees naar Jan en Claas Duijn. Hun familie zou lang actief blijven met de molen; op 4 september 1783 werd deze nog door Adriaan Jansz. Duijn verzekerd. Hij en Claas Adriaansz. waren toen de eigenaars. De taxatiewaarde van de molen bedroeg ƒ6000. Jan en Claas Duijn waren de grondleggers van een groot pelbedrijf, met molens als De Virgilius, een oliemolen met een pelwerk, De Stijfselbak, De Jonge Abraham, De Duinmeijer, De Boerenjonker en De Uil. Deze laatste zou, net als De Reiger, verbranden.



De laatste eigenaar van de familie Duijn verkoopt de molen in 1790. Na nog een wisseling van eigenaars in 1797 wordt Thijs Jansz. Noomen eigenaar van De Twee Gebroeders. De Noomens pellen met De Twee Gebroeders tot 1855. In dat jaar verkoopt Gerrit Jansz. Noomen hem aan de Zaanse houthandelaar Cornelis van de Stadt. Zijn zoon Gus erft de molen. Gus sterft in 1862. Op 25 oktober 1862 wordt Jan Aten Bsz., koopman te Wormerveer, voor ƒ8000 eigenaar van de molen. Het pellersbedrijf wordt na de dood van Aten, op 28 december 1889, voortgezet door Jannetje Honigh, zijn weduwe, waarbij haar zoon Barend de directie voert. Hij bericht op 6 november 1897 aan de gecommitteerden van het Papiermakerscontract (de onderlinge brandverzekeringsmaatschappij waar hij de molen verzekerd heeft) dat De Twee Gebroeders uit het contract genomen moet worden wegens stilstand. Hierna wordt De Twee Gebroeders afgebroken, en de onderdelen naar Alphen aan den Rijn getransporteerd om aldaar als korenmolen weer opgebouwd te worden.


Pelmolen De Twee Gebroeders in Zaandam-Oostzijde.
Op de achtergrond de H. Maria Magdalena,
de Katholieke kerk van Het Kalf

Korenmolen De Eendracht in Alphen aan den Rijn (Gouwsluis), verhuizing en herbouw


In Alphen aan den Rijn komt de molen te staan aan de Oude Rijn, in de buurtschap Gouwsluis. De molen vervangt daar een andere molen, die even ten noorden van de spoorbrug op de westeroever van de Gouwe staat en moet wijken voor een verbreding van de waterweg ter plaatse. Deze molen heette aanvankelijk Het Fortuin, later De Eendragt. Die laatste naam gaat nu over naar de "nieuwe" molen. Molenaar en opdrachtgever van de herbouw is Matthijs Dam. De molen moet overigens niet worden verward met de trasmolen De Eendracht, die aan de overkant van de Oude Rijn staat, ter hoogte van het huidige Park Rijnstroom. Die laatstgenoemde Eendracht wordt in 1902 onttakeld; in 1952 wordt de onderbouw afgebroken.




Omdat de molen oorspronkelijk ingericht was om gerst en rijst te pellen, maar nu herbouwd werd als korenmolen, moet er het een en ander aan het gaande werk (zo noemt men de overbrengingen door middel van houten assen en tandwielen in een molen) verbouwd worden. In 1920 volgt een verdere verbouwing, als de molen in handen komt van Dirk van Geel. Hij vervangt de oude houten roeden door (tweedehands) ijzeren exemplaren, en plaatst een elektromotor als hulpaandrijving. Ook plaatst hij een nieuw spoorwiel (het onderste horizontale wiel aan de koningsas), afkomstig uit de boedel van een failliete Rotterdamse stoomfabriek; dit spoorwiel heeft een dubbele rij kammen of tanden, uniek voor een molen.


De dubbele rij kammen in het spoorwiel    

Een ander opvallend kenmerk van De Eendracht is de breedte van de molenromp. Is bij de meeste stellingmolens de meelzolder 6 à 8 meter breed, bij De Eendracht bedraagt dit wel 11 meter. Ook opvallend, maar vervangen bij de restauratie van 1973, was het stellinghek: Hierbij was gebruik gemaakt van een oude balustrade uit een Utrechtse schouwburg.



De houten molenromp is op een stenen onderbouw geplaatst. Ten noorden hiervan, aan de kant van de Oude Rijn, wordt een pakhuis gebouwd, en aan de andere zijde een kleinere aanbouw waar een stoommachine in wordt geplaatst.

De molen van Walraven


Van 1923 tot 1973 draaien Gijsbert Walraven en zijn zoon Bram met de molen. Deze molenaars zijn zeer vooruitstrevend en innovatief. In de meeste korenmolens wordt het graan zak voor zak gemalen waardoor dit zeer arbeidsintensief is. In De Eendracht worden, zoals in pakhuizen ook gebruikelijk, silo's, elevatoren, luiwerken (hijswerken), transportgoten, schroeven en glijgoten gebouwd, zodat al het transport dat noodzakelijk is om tot een gereed product (hoofdzakelijk veevoeder) te komen, zowel door wind- als motorkracht kan geschieden, en het gesjouw door de molenaar tot het minimum wordt teruggebracht. Opnieuw krijgt de molen nieuwe roeden, ditmaal zogenaamde Potroeden. Deze roeden, gemaakt bij de Gebr. Pot (Kinderdijk), zijn een begrip in de molenwereld.


Bram Walraven was de laatste zelfstandige
molenaar op molen De Eendracht.
Ruim vijftig jaar hield hij de molen in bedrijf

Een wiekverbetering: de "Verdekkering"


In februari 1934 wordt op die roeden de nieuwste vinding toegepast: het stroomlijnen van de wieken. In dit geval volgens het zogenaamde Dekkersysteem. Molenroeden zijn vierkant en vrij fors van afmeting; in de askop bedraagt deze ongeveer 34 × 36 cm. Als de molen goed doorloopt bereikt de wiekpunt een snelheid van 120 à 140 km/u. Het is dus wel duidelijk dat de weerstand die de zijkant van de roede (die haaks op de draairichting staat) aanzienlijk is. Deze problematiek lag in 1924 ten grondslag aan een door de vereniging "De Hollandsche Molen" ingestelde prijsvraag: men wilde door technische vindingen deze weerstand verminderen, en daardoor de molens letterlijk nieuw leven in blazen. De vindingen zouden de molens een reële overlevingskans bieden, waardoor zij voor het nageslacht bewaard zouden kunnen blijven, dit in een tijd waarin molens bij bosjes werden afgebroken. Rond 1880–1890 telde Nederland nog ±10.000 molens; nu zijn dat er nog ruim duizend. Een tiental wiekverbeteringssystemen werden naar aanleiding van de prijsvraag ontwikkeld, waarvan het Dekkersysteem (genoemd naar zijn uitvinder, molenmaker A.J. Dekker uit Hazerswoude) er één van was. Veel van de ontwikkelde systemen komen er op neer de roede zodanig met metaal of hout te omkleden dat de trekkracht stijgt en de luchtweerstand sterk afneemt.

De Industrie


De Eendracht was een productiemolen, en ook op dagen dat er geen wind was wilde de bakker meel hebben. Om hier iets aan te doen was er een stoommachine geplaatst. In 1916 werd die oude stoommachine vervangen door een elektromotor. Deze dreef 3 koppels stenen aan die beneden in de molen opgesteld stonden. Deze elektrische hulpkracht heeft echter niet lang bestaan. De buurman (en concurrent) van Bram, de Centrale Alphense Veevoederhandel, kreeg zijn stroom namelijk een halve cent per kilowatt goedkoper geleverd. Bram Walraven vond dit oneerlijk en vocht dit verschil aan, maar zijn protest bleef zonder resultaat. Hierdoor werd de molenaar zo kwaad op het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf dat hij de elektromotor uit de molen verving door een dieselmotor van Motorenfabriek De Industrie. Deze fabriek was gevestigd op een steenworp afstand van de molen. De tweecilinder dieselmotor met een vermogen van 60 pk werd geïnstalleerd in 1934.

Bergafwaarts

 


De molen was in die tijd hoofdzakelijk loongemaal, dat wil zeggen dat er gemalen werd in opdracht van derden. In dit geval was dat veevoederbedrijf De Leerhoeve, eveneens te Alphen aan den Rijn. De productie op de motor zal gelegen hebben tussen de 15.000 en 20.000 kilo per dag. De productie van de molen is niet precies bekend: dit ligt uiteraard aan de windsterkte, maar zal wel beduidend minder geweest zijn. Door de algehele schaalvergroting in die tijd werd de productie te gering geacht, en Bram werd door De Leerhoeve voor de keuze gesteld: óf u plaatst een hamermolen, óf wij gaan een andere leverancier zoeken! Bram was een molenaar van de oude stempel: "Als ik niet met stenen mag malen, dan maal ik helemaal niet meer" moet hij gezegd hebben. Zodoende ging in 1954 de vang erop bij De Eendracht. Met de diesel maalde Bram nog tien jaar door, maar toen was het echt over.


Verval


Het verval zette in. Tot 1973 gebeurde er niets meer in en met De Eendracht. Ondertussen kon men van verschillende kanten dwars door de molenopbouw heen kijken; de molen was verworden tot een bouwval. Belangrijke gedeeltes van het houten geraamte waren finaal verrot. Door de gaten in de molenromp hadden weer en wind vrij spel. De leien bekleding van de romp had na twintig jaar verwaarlozing haar hechte verankering verloren. De kap lag plaatselijk open en één roede was geheel doorgeroest. Er moest iets gebeuren, wilde De Eendracht niet reddeloos verloren zijn. Op enig moment was er sprake van een overname van de molen door de Rijnlandse Molenstichting. Uiteindelijk echter werd de gemeente Alphen aan den Rijn de nieuwe eigenaar. Het herstel kon eindelijk beginnen.


De Eendracht in deplorabele toestand  
De hergeboorte

Mede dankzij steun van de Rabobank kon de restauratie een aanvang nemen. Molenmakerij Van Beek (het bedrijf bestaat niet meer) maakte voor ƒ160.000 (ruim €72.000) van een levenloze romp weer een juweel van een molen. Molenaar was op dat moment Jan van Beek (geen familie van de molenmaker).




Nu is het zo dat molens moeten draaien. Ten eerste is alleen een draaiende molen ook echt een levende molen, en ten tweede kom je zo sneller kleine problemen op het spoor en kan je ze op tijd herstellen, voordat ze ernstiger worden en herstel echt in de papieren gaat lopen. Draaien alleen is niet genoeg: ook echt malen moest De Eendracht weer. Daarom ging men op zoek naar een mogelijkheid om de molen van voldoende maalgoed te voorzien.

 

Voor de bakker?


In 1975 diende zich Harm van Rijn aan. Hij had een groothandel in biologische levensmiddelen, en De Eendracht ging voor hem zo'n duizend kilo biologisch geteelde tarwe per week malen. Nadat hij de kunst van ons had afgekeken begon hij in 1977 voor zichzelf. Gelukkig konden we vrij snel weer aan de slag voor de meelfabriek van Kruyt in Ameide. De tarwe kwam per kiepauto aan bij de molen, en werd dan met de hand gelost in zakken van ongeveer vijftig kilo. Die werden dan één voor één naar boven gehesen om te worden gemalen. Een deel van het volkorenmeel ging naar de enige bakker die klant bij ons was, bakker Van Kampen in Koudekerk. Een groot gedeelte verkochten we zelf aan particulieren; er waren zaterdagen dat er meer dan 500 zakjes à 5 kg weggeschept werden. Wat niet werd verkocht en dus overbleef ging met de volgende kiepauto terug naar Ameide, waar het versneden werd met het tarwemeel van Kruyt.

 


Voor de bakker!


De afzet voor meel had dus een uiterst smalle basis. In vier jaar tijd had de molen al drie afnemers versleten, en het zou natuurlijk zeer wenselijk zijn een meer stabiele afzetmarkt te genereren. Op dat moment was er namelijk al erg veel geld in de molen gestoken: aan restauratiekosten en lopend onderhoud bedroeg dit zo'n ƒ265.000 (ruim €120.000), exclusief de koopsom. "Na ampel beraad" (zoals dat heet) besloot de gemeente een brief te sturen aan alle "Echte Bakkers" uit de omtrek. Via een enquête in deze brief hoopte men te weten te komen of er in de kring van bakkerijen aangesloten bij het "Echte Bakkersgilde" belangstelling was meel af te nemen bij De Eendracht. De ervaringen tot nu toe waren dat De Eendracht rendabel kon draaien als er jaarlijks minimaal vijftig ton meel gemalen kon worden.




De enige die op het schrijven reageerde was "Echte Bakker" De Graaf. Deze bakker voelde zich zeer aangesproken om het nieuwe leven van de molen actief te ondersteunen. Exclusief voor deze bakker werd volkorenmeel gemalen, waarvan de bakker dan "Bruin van de molen" en "Molenbrood" bakte. Het enthousiasme van De Graaf werkte aanstekelijk, en nog vier bakkers sloten zich aan: naast De Graaf (later Admiraal) waren dat Visser, Quint, Van Dalen en Augustinus. Samen vormden deze "Echte Bakkers" een stichting, waartoe hierna nog drie bakkers toetraden: Rootzelaar, Balk en Valentijn.

 

Restauratie van de diesel


Al gauw bleek dat de molen bij langere periodes met te weinig wind niet meer aan de vraag kon voldoen. Mede hierdoor kwam een restauratie van de oude dieselmotor in beeld; deze zou dan een extra koppel maalstenen moeten aandrijven. Via het adressenbestand van de motorenfabriek De Industrie werden oud-werknemers die in de omgeving woonden opgespoord en uitgenodigd om deze zaak door te praten. Het resultaat was dat op 15 maart 1983 kon worden gestart met de restauratie van de motor. De staat waarin deze verkeerde was nog zo goed, dat al op 23 april van dat jaar de motor feestelijk in gebruik genomen kon worden. Enkele maanden later was ook het koppel maalstenen gereed om, aangedreven door de gerestaureerde diesel, zijn oude functie weer uit te oefenen. Nu kon de molen ook meel produceren als er geen wind stond, wat uit oogpunt van bedrijfsvoering natuurlijk een belangrijke stap vooruit betekende.
    

 

De Oude Bram


Inmiddels was de dieselmotor De Oude Bram gedoopt, als eerbetoon aan Bram Walraven. Uit de groep vrijwilligers die de motor had gerestaureerd bleef een harde kern over, die elke zaterdag bij toerbeurt de motor bediende (Piet Buikstra, Gijs Walraven (een neef van Bram), Koos Zuidam en Jan van Asselt). Ook werd een oude planzifter (een zeefmachine, ook wel plansichter genoemd) met toebehoren geïnstalleerd. Hierdoor werd het mogelijk om de volkorenmeel uit te zeven tot witte bloem. De "Echte Bakker" verwerkte dit vervolgens weer tot een nieuwe specialiteit: "Wit van de molen".    
    

 

De Eendracht nu


Elke zaterdag gebeurt het: een groep vrijwilligers komt samen en De Eendracht gaat aan het werk. De molen maakte aanvankelijk zo'n 70.000 omwentelingen per jaar, maar sinds 2003 is dat zelfs zo'n 200.000 rondjes. We malen nog steeds volkorenmeel, voor de bakkerij van supermarktketen Hoogvliet en voor Bakkerij van Kempen, die Rijn- en Veen brood bakt van het wekelijks aangeleverde graan, en bloem, voor de particuliere verkoop, in onze molenwinkel.
 


Korenmolen De Eendracht in februari 2003 in de sneeuw,
draaiend met vier volle zeilen

 

Bron: www.duizendzaansemolens.nl